Afgesloten

“Tussen ons en jullie gaapt er voorgoed een wijde kloof.”

Lucas 16,26 – 26ste zondag door het jaar

“Ben je nu boos of blij op mij?”, vraagt Mara-Lea met een klank in haar stemmetje die duidelijkheid wil afdwingen. Waarschijnlijk tuur ik wat afwezig voor mij uit. Ze voelt aan dat ik in mijn hoofd met andere dingen bezig ben en daardoor niet helemaal bij haar ben. Ze wil opnieuw verbinding zoeken.

Die verbinding ontbreekt volledig tussen de personages in het Evangelie voor komende zondag. De passage vertelt over een rijke onbekende man en de arme Lazarus. Tijdens hun leven staat er een poort tussen hen die hen van elkaar scheidt. De rijke komt niet buiten zijn poort. Lazarus blijft liggen vóór de poort. De kloof tussen hen is zo groot geworden dat ze ook na hun dood niet meer te overbruggen is, aldus het verhaal.

Op een vreemde manier voel ik sympathie voor de rijke. Ik vind het erg dat er na zijn dood geen enkele genade is voor hem, terwijl er nergens staat te lezen dat de arme Lazarus ook echt aanklopte aan de poort en de rijke hem bewust negeerde. Misschien kan ik mij ook wel een beetje met de rijke onbekende identificeren. Niet met zijn talrijke feesten. Wel met de persoon die soms zo druk in de weer is met zichzelf dat hij/zij zich onbewust afsluit van wat er zich hier en nu, vlak voor de neus afspeelt. Alsof er een poort kwam te staan die een kloof creëert tussen het ik en de ander.

Nochthans ligt er net vóór die poort een ruimte om mekaar écht te zien en te ontmoeten. Op momenten die even vluchtig zijn als het leven zelf en niet altijd de kans krijgen om opnieuw beleefd te worden. Deze parabel gaat voor mij niet alleen over alle onrechtvaardigheid tussen rijk en arm, maar ook over elke keer dat mijn afgesloten zijn een ander tot Lazarus maakt en er aan het Leven zelf voorbij wordt gegaan.

Pixabay

Op een ander spoor

“Wie betrouwbaar is in het kleinste, is ook betrouwbaar in het grote.”

Lucas 16,10 – 25ste zondag door het jaar

6u30 en ik sta al op het perron. Vandaag worden we voor het werk in Gent verwacht. De sporen liggen er voorlopig nog verlaten bij. Maar straks zal iedereen duidelijk weten aan welk spoor hij of zij moet staan om de juiste trein te kunnen nemen.

Met het leven is het anders, zo bedenk ik mij. Soms zijn er meerdere sporen mogelijk. En zelfs wanneer je je op het juiste spoor voelt zitten, weet je niet precies waar het je heen zal leiden. De bestemming kan altijd anders zijn dan verwacht. Soms maakt dat angstig, maar even vaak brengt het fijne verrassingen en nieuwe ontdekkingen met zich mee.

In het Evangelie voor komende zondag lees ik over Jezus die mensen op een ander spoor wil zetten. Op een spoor van solidariteit en rechtvaardigheid. Op een spoor waarbij het van het grootste belang is om integer om te gaan met zaken die niet zichtbaar zijn voor het grote publiek. Alleen zo kan je echt verbonden zijn met het ‘grote’, met de droom die God voor de wereld heeft, zo schrijft Lucas.

De uitgelichte zin bemoedigt mij. Want naast veel onheil, zie ik ook dagelijks vele kleine goede dingen die aan mij en anderen gebeuren. En al schat ik mijn eigen bijdrage vaak niet naar waarde, ook daar mag ik meer vertrouwen op de grootsheid van het kleine. Allemaal tezamen schenken die kleine betrouwbaarheden iets van een groter vertrouwen.

Opvliegend

“Toen zag de HEER af van het onheil waarmee Hij zijn volk had bedreigd.”

Exodus 32,14 – 24ste zondag doorheen het jaar

Enkele weken geleden vloog er een vlieg doorheen de keuken. Meerdere keren ging ze op ons eten zitten en zonder veel nadenken haalde ik er de vliegenmepper bij. Maar toen ze daar zo stil bleef liggen bij het raam, was Mara-Lea helemaal ontzet. “Waarom kan ze buiten niet meer verder vliegen?” Ik voelde me heel erg slecht. Niet de wereld, maar ikzelf had een gewelddadige dood binnengebracht in haar belevingswereld. Sindsdien heb ik de vliegenmepper niet meer uitgehaald, tenzij als verlengstuk om iets onder de zetel vandaan te halen. En bij elk vliegje dat passeert, herinnert ze me eraan: “Haar hartje moet blijven kloppen, he mama!”

Het bovenstaande bijbelvers gaat ook over iemand die een ander verhindert om te doden. Veel mensen zullen het niet graag lezen, want de dader blijkt God zelf. God is volgens het verhaalde heel teleurgesteld wanneer het volk dat Hij liefheeft niet Hem, maar een zelfgemaakt stierenbeeld begint te aanbidden. Wanneer Gods boosheid zo sterk oploopt dat hij hen zelfs wil vernietigen, komt Mozes tussenbeiden. Hij herinnert God aan zijn liefde voor deze mensen. En daarop gaat de woedebui van God voorbij.

Je kan voorbij gaan aan de tekst door te zeggen dat er hier een al te menselijke voorstelling van God klinkt en een dergelijk straffend godsbeeld gevaarlijke dingen teweeg kan brengen. Dat is heel belangrijk en waar. Toch lijkt de schrijver van dit verhaal me ook iets levengevend te vertellen. Via het vertelde geeft hij me immers aan dat niemand zich het recht mag toeëigenen om anderen onheil aan te doen. Zelfs God niet, Heer en Meester van de schepping. Dat de basis aan liefde tussen alle schepselen veel fundamenteler is dan al wat deze liefde teniet kan doen.

Dat niets kan rechtvaardigen dat ik dat ongelukkige insectje in al mijn haast en opvliegendheid doodde in plaats van de moeite te nemen om haar naar buiten te leiden. Gelukkig heb ik mijn eigen Mozes in huis.

Copyright Pixabay

Op de tippen

“Want al wie zichzelf verheft, zal vernederd
en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden.”

Lucas 14,11 – 22ste zondag door het jaar

“Ik wil graag op mijn tipjes dansen, mama!” Ze verwijst naar de tippen van haar tenen en loopt door de kamer in een balletpak dat ooit nog van mij was. Binnenkort mag ze met haar vriendinnetjes naar een proefles in de balletschool.

Het valt me op hoe groot ze is, zo op de toppen van haar tenen. In diverse geledingen van onze maatschappij klinkt er vaak een aanmoediging om jezelf groot te maken, jezelf te laten zien en liefst ook te laten horen. Eigenlijk zit daar vaak een angst onder verborgen. Want wie zichzelf niet groot maakt, riskeert om niet gezien te worden.

Het bijbelse vers van afgelopen zondag wil deze angst wegnemen. Bij uitstek de mensen die zichzelf kleinhouden of die zich door toedoen van anderen in een vernederde positie bevinden, zullen door God (en al wie geloof stelt in Hem?) gezien worden, zo zegt Lucas. De tekst belooft ook een stukje herstel van rechtvaardigheid: al wie zich op onrechtvaardige wijze verheft boven een ander zal daarin worden teruggedrongen.

Maar Lucas troost niet alleen; hij daagt ook uit. De oproep om ‘zichzelf te vernederen’ heeft iets weerzinwekkend en mag zeker niet gelezen worden als een aanmoediging om zichzelf onrecht aan te doen. Ik interpreteer de woorden eerder als een uitnodiging om af en toe ook eens ‘klein’ te leren zijn.

En dat is in de praktijk toch wel moeilijker dan gedacht. Want hoe vaak voel ik mezelf ook niet op de tippen van mijn tenen lopen. Niet om te dansen. Wel om alles te beredderen en dus ook onder controle te houden. Altijd groot willen zijn, kost veel energie. Wat een vreugde kan het zijn om ook gewoon klein te mogen zijn. En om dan te mogen ervaren dat iemand/Iemand anders dan jijzelf jou op de een of andere manier verheft.

Copyright Pixabay

Lampjes

Het zal met het Rijk der hemelen zijn als met tien meisjes die met hun lampen uittrokken, de bruidegom tegemoet.

Matteüs 25,1 – Weeklezing

‘Kijk, de lampjes gaan aan, mama!’, zegt een verwonderd stemmetje. We lopen bij valavond doorheen de Efteling. De drukkende warmte van de dag wijkt stilaan voor een wat aangenamere gevoelstemperatuur. De sprookjesachtige lantaarnpalen langs de kronkelpaden en enkele levensechte elfjes die Mara-Lea wenken, brengen ons alle drie even in magische sferen. Misschien nog niet het Rijk der hemelen. Maar alleszins een aards voorproevertje, iets van een zorgeloos en geborgen moment.

De bovenstaande zin uit het Evangelie van Matteüs deed me eraan terugdenken. Al zet dit vers me meteen ook terug met beide voeten op de grond. Want niet al de tien meisjes zullen voldoende olie bijhebben om hun lamp te laten branden totdat ze bij de bruidegom zijn, zo verhaalt de parabel verder. Vijf van hen zijn immers vergeten om extra olie mee te nemen. Ze komen uiteindelijk te laat op het bruiloftsfeest en de bruidegom laat hen niet meer binnen.

Het lijkt alsof het Rijk der hemelen niet voor iedereen is weggelegd. Maar nergens staat dat de vijf meisjes zonder extra olie er niet opnieuw op uit kunnen trekken. Zo lang als mensen erop uittrekken om de Bruidegom te ontmoeten, blijft ook het hemelse Rijk in zicht. Zo lang er gezocht en gehoopt wordt, is er ruimte om te ontdekken wat er nodig is om de eigen lamp blijvend te laten branden. En om dan in verwondering rond te kijken. Naar al die andere lampjes.

Erdoorheen

“Ik ben niet gekomen om vrede, maar om verdeeldheid te brengen“.

Lucas 12,51 – 20ste zondag door het jaar

Bovenstaand vers zou gemakkelijk misbruikt kunnen worden om het pleidooi te dienen van ieder die vindt dat de christelijke godsdienst (mee) aan de oorsprong ligt van veel geweld en conflict. De evangelist Lucas, die deze woorden neerschreef, zag het ook voor zich gebeuren hoe een verschillende interpretatie van wie Jezus was verdeeldheid zaaide in het joodse volk.

Het was wellicht troostvol voor Lucas en bemoedigend voor zijn toehoorders om Jezus niet afwezig te weten te midden van die verdeeldheid. Het is altijd gemakkelijker om God of het goede aan het werk te voelen in harmonieuze en vredevolle situaties. Lucas wil Hem ook verbinden met het gebroken leven, met de teleurgestelde hoop, met dat wat niet heel, maar verdeeld is.

Jezus was en is geen magiër die overal ter wereld harmonie kon/kan toveren. Wel heeft Hij ons de keuzevrijheid geschonken om al wat en wie kwetsbaar is in het bijzonder lief te hebben en om zo voor meer gerechtigheid te ijveren. Er zullen altijd mensen zijn die die keuze niet maken. Het vermogen om te kiezen, zal verdeeldheid zaaien. Zelfs in ons eigen hart.

Ik beeld me in hoe Jezus midden door die verdeeldheid heen loopt. Als een Middelaar tot wie beide delen zich op elk moment kunnen wenden. Om mekaar uiteindelijk terug te vinden.

Bij uitstek de natuur getuigt van een goddelijke levenskracht die door de verdeeldheid heen gaat. Zie die stam daar maar, met twee vertakkingen die eigenstandige bomen werden. Op een bepaald moment in het groeiproces kwam er verdeeldheid tussen beide bomen. Maar hun levengevende takken in de hoogte vonden mekaar terug.

En in ons eigen kleine gezin speelt eenzelfde dynamiek. Ik zie mezelf al bekvechtend met Gerd over dagdagelijkse ergernisjes hier en daar. Hoe Jezus midden tussen ons komt staan. Hoe Hij ons beiden meeneemt. Door de verdeeldheid heen.

L’enfer

Gij hebt de oude mens met zijn gedragingen afgelegd

Kolossenzen 3,9Achttiende zondag door het jaar

We wandelen over de dijk in Oostende. Met aan de ene kant de rustgevende zee. Aan de andere kant veel volk in de brasserieën en toeristische kraampjes. Op het pleintje aan het casino staat ook een grote groep verzameld. Nog een ‘sport aan zee’-aerobics, neem ik eerst aan. Maar dit is anders. Te midden van alle drukke uitbundigheid wordt mijn ziel geroerd wanneer ik L’enfer van Stromae hoor klinken. Wanneer we naderen, zie ik hoe mensen iets van de hel in hun hoofd en hart naar buiten laten in expressieve bewegingen. Omstanders kijken ontroerd toe.

Het lijkt er voor mij op dat ze een stukje van hun oude mens afleggen. Iets van hun pijn, van dat wat hen kwelt, wat ze los willen laten. En ze zijn met velen. Ze herkennen mekaar in hun oude mens. Ze willen iets nieuws.

De Kolossenzenbrief vervolgt de zin met “En gij hebt u bekleed met de nieuwe mens”. Ik weet niet of alle dansende mensen al toe waren aan deze fase. En er stonden er ook nog veel rondom de dansgroep, geraakt door al die ‘oude mensen’ die nieuw willen worden en herkenning vindend, maar nog niet overtuigd of voldoende krachtig om los te laten. Ook wij stonden op een afstandje. Al slapend in de buggy, ontroerd starend of wat afwachtend omdat de andere wou blijven staan.

Klop klop klop

Want al wie vraagt verkrijgt; wie zoekt vindt; en voor wie klopt doet men open.

Lucas 11,9 – 17de zondag door het jaar

Met de warme zomeravonden heeft Mara-Lea het vaak moeilijk om in slaap te geraken en te blijven. Wanneer het haar toch nog eens lukt om in haar eigen bedje te slapen, wordt ze steevast ergens in de nacht wakker en klopt ze met haar volle hand op de deur om te laten weten dat ze dicht bij mama wil zijn. Altijd een beetje schrikken om zo gewekt te worden. Maar als ze klopt, wordt er open gedaan…

De drie korte zinnetjes uit het evangelie van afgelopen zondag verliezen soms hun kracht omdat het leven ze vaak tegenspreekt. Veel mensen blijven voor een gesloten deur staan, vinden niet ondanks veel zoeken en verkrijgen niet wat ze vroegen. En zelfs wie bij elk van de stellingen enkele positieve voorbeelden kan bedenken, zal moeten toegeven dat ook het tegenovergestelde waar is. Voor mezelf helpt het dan om de focus van mezelf naar anderen te verleggen. Waar bevinden zich de mensen met vragen zonder antwoord, de zoekers zonder vrede en de kloppers in mijn leven? Door me met hen te verbinden, voel ik me niet alleen minder eenzaam in mijn eigen zoeken. Ik geloof erin dat de kloppers me ook iets belangrijks te vertellen hebben.

Dat laatste geldt ook voor ons eigen kleine kloppertje. Al is het midden in de nacht. Want wanneer ze dan bij me in bed ligt, slaat ze vaak haar armpje om me heen en zegt ze: ‘Ik vind je zo lief, mama’. Met ‘Ik jou ook, Mara-Lea’ en een verstrengeling van haar handje in mijn hand kan ze dan meestal weer slapen. En dan denk ik: ‘Heer, zij leert mij bidden’ en ‘Hier ben Jij heel dicht bij ons’.

God is wellicht niet zozeer degene die al onze verlangens zomaar kan inlossen, maar wel zelf de onophoudelijke Klopper die bij ons wil zijn, in welke toestand ook. Doe je ook mee open?

Eenvoud

“Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. Gij kunt het dus volbrengen.”

Deuteronomium 10,14 – Vijftiende zondag door het jaar

Enkele weken geleden gingen we met het personeel van het bisdom op uitstap. In de voormiddag waren we te gast bij de zusters van Opgrimbie. Een plek die eenvoud en intensiteit tegelijkertijd uitademt. Toen we aan het einde van ons bezoek in het winkeltje passeerden, trok mijn aandacht zich toe naar een gebedsarmbandje aan een spijker aan de muur. Heel eenvoudig in blank hout. Wellicht bestaan er zo wel meer. Maar het leek me iets te willen zeggen, dus ik nam het mee naar huis.

Sindsdien draag ik het regelmatig aan mijn arm of lonkt het me toe vanop een plek waar ik het toch vergat terug aan te doen. Een beetje ongeduldig als ik ben en vaak in mijn hoofd vanalles bedenkend, vraag ik me sindsdien af waarheen het me precies wil leiden. Af en toe lijkt het me op onverwachte momenten antwoorden te geven. Zoals nu, bij het lezen van het bovenvernoemde vers uit de eerste lezing van afgelopen zondag.

De woorden uit Deuteronomium brengen geruststelling in mij teweeg. Alsof ze mij verzekeren dat het levengevende Woord nabij is. Dat een antwoord op mijn vragen nabij is. Dat dit antwoord zelfs al in mijzelf aanwezig is. Dat het niet alleen haalbaar is om tussen verschillende mogelijke opties bij de meest levengevende keuze uit te komen, maar dat het ook zal lukken om er concreet handen en voeten aan te geven.

Het hoofd wordt niet genoemd, valt mij op. Ik beschouw het als een uitdaging om te vertrouwen op dat wat spontaan uit mijn mond komt en zich in mijn hart heeft genesteld. Een oproep om me wat intenser met God te verbinden en opnieuw eenvoud te midden van alle veelvoud te vinden.

’t Verschil

“De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig.”

Matteüs 9,37 – weeklezing

Ik kijk een beetje triest naar een van onze twee tuinperkjes en voel medelijden. Waar het ene volop bedekt is met allerlei bloemen voor bijen en vlinders, ligt het andere er verlaten bij op enkele eenzaten na. En het had in de prille lente nog zo mooi in bloei gestaan.

Met de daglezing in het achterhoofd denk ik aan de menigte van afgetobde mensen die Jezus volgens Matteüs zag neerliggen, als schapen zonder herder. Hij voelt er medelijden mee, zo staat er te lezen. En daarop volgt Jezus’ vraag aan de leerlingen om God te bidden om meer arbeiders, want de oogst is groot. Dezelfde zin kwam trouwens voor in het zondagsevangelie, maar dan ingebed in een iets andere context door Lucas.

De grote oogst waar Jezus op doelt, verwijst niet naar iets wat fantastisch goed gelukt is. Integendeel, de oogst is groot daar waar er veel nood is. Daar waar mensen afgetobd neerliggen. Daar waar er weinig kleur is. Daar waar er wellicht automatisch al minder arbeiders zijn. Want de meeste mensen vertoeven liever in vrolijk gezelschap.

Ik kan me wel wat situaties bedenken die gelijken op mijn bijna lege bloemenperkje. En ik ken de stukjes in mezelf die zich ook kunnen verbinden met diezelfde leegte. De oogst is groot. Ook vandaag. En dan kan zelfs één arbeider een wezenlijk verschil maken.