Een duif uit de hemel

“Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten.”

Johannes 1,32 – Tweede zondag door het jaar

Het moet ongeveer een jaar geleden zijn. Net als in de afgelopen week was het heel stormachtig. Op een doordeweekse vooravond zat er een duifje op de vensterbank van ons slaapkamerraam. Zonder enige beschutting zat het daar in weer en wind. Mara-Lea ging elke volgende avond nieuwsgierig en bezorgd kijken of ze al terug was, want in de dag vloog ze gewoon uit. Het duifje begon een beetje bij ons te horen en ze kreeg de naam Roosje. Uiteindelijk hadden we er zoveel medelijden mee dat mijn papa een vogelhuis bouwde. De avond nadat het huisje aan de gevel werd bevestigd, kwam Roosje echter niet meer terug en we zagen haar sindsdien nooit meer…

Toch blijft ze ons tot op vandaag bij. Want het was bijzonder dat ze er was. Daar op die onverwachte plek en dat onverwachte moment. Kwam ze met een boodschap? Was haar rusten op onze vensterbank een teken van Gods nabijheid?

In elk geval was ze niet van plan om zich te laten vangen. En misschien loopt het zo ook met de heilige Geest. Als mens hebben we niet te bepalen waar Hij waait, bij wie of waar Hij zich te rusten legt. God laat zich niet grijpen om van dan af voor altijd te worden vastgehouden. Hij is er alleen in het moment. En het is aan ons om de ogen te openen voor zijn rustplaats.

Die rustplaats vindt Hij vaak op onverwachte plekken. Bij mensen van vlees en bloed zoals Jezus. Misschien zelfs op een vensterbank in de weer en de wind.

Vanuit het oosten

“Toen Jezus te Betlehem in Juda geboren was, ten tijde van koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het oosten en vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning der Joden? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen.'”

Matteüs 2,1-2 – Feest van de Openbaring des Heren

“Het is lente, mama!” Mara-Lea ziet de stralen van een zwak winterzonnetje door de ramen naar binnen schijnen. Het is inderdaad even geleden dat we haar zagen. De meeste recente dagen waren er vol donkere wolken met regen. Nochtans kwam ook op die miezerige dagen de zon op. Onzichtbaar bijna. Ergens in het oosten.

Ook de Wijzen uit het Driekoningenverhaal komen ‘uit het oosten’. Je kan deze aanduiding geografisch interpreteren en hieruit afleiden dat de Wijzen uit de streek van het toenmalige Perzië kwamen. Maar er zit ook symboliek in de plaatsbepaling. Het oosten is de plek waar de zon opkomt, waar het licht het duister verdrijft.

Voortgaand op deze symboliek is het bijna vreemd dat Jezus’ geboorte zelf niet in het oosten wordt gesitueerd. Het Evangelie draait de verwachtingen om. Het Licht voor de wereld wordt in een duistere uithoek geboren. Er is extra licht – een ster – voor nodig om Hem te vinden. De Wijzen op hun beurt worden met het oosten verbonden, maar zijn ook niet bang om hun lichtplek te verlaten. Integendeel, ze laten er zich door vooruit stuwen en vinden zo ook waar ze naar verlangen.

De Wijzen herinneren me eraan hoe belangrijk het is om zelf zoveel mogelijk vanuit het oosten te vertrekken. Om het licht te bewaren in mijn hart, ook al is er duisternis om door te gaan. Om de lente te durven zien, ook al is het putteke winter.

Baken van vertrouwen

“Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en overwoog ze bij zichzelf.”

Lucas 2,19 – Feest Moederschap van Maria

Op de hoek van de grond waar mijn opa woont, staat een lindeboom met daaraan een kleine Mariakapel. Ze heeft altijd een bijzondere plek gehad in onze familie. Ook al zijn er zoveel kapellen in Vlaanderen, voor ons is het ‘hét kapelleke’.


Het doet me mijmeren over al wat Maria daar vanuit die hoek heeft zien gebeuren. Ze zag mijn overgrootouders te voet voorbij trekken in moeilijke oorlogstijden. Ze was vlakbij toen mijn oma en opa hun eigen huis bouwden en mama in de buurt naar school brachten. Nog wat verder in de tijd kwam mijn toekomstige papa verdacht vaak voorbij gefietst in de hoop om een glimp van mama op te vangen. Voor mezelf was de weide en alles omheen de kapel als kind al een wonderlijke plek waar avontuur en mysterie me leken te roepen, de tijd stil stond en alle dagdagelijksheid werd overstegen.


Wellicht bewaarde Maria dat alles (en nog zoveel meer) in haar hart, zo bedenk ik me met de zondagslezing voor ogen. ‘Onze Maria’ op de hoek ging niet mee in alle emoties die de diverse omstandigheden opwekten. Ze stond daar. In alle tijden. Standvastig. Als baken van vertrouwen. In Hem. Maar ook in ons.


Ook al laat haar schamele beschutting die kracht niet vermoeden, uit de verhalen die ik meekreeg, blijkt dat vele mensen naar dit hoekkapelletje kwamen en komen. Ook mijn familie. Ook ik. Om iets van houvast te herwinnen. Om aan hernieuwd vertrouwen te bouwen te midden van alle woeligheid die het leven kan binnensluipen. Zodat er iets goddelijks kon ontluiken in hele concrete mensenlevens. Bij de Moeder van God. Bij de Moeder van alle mensen.

Een onverwacht geschenk

Maar de engel sprak tot hen: “Vrees niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap, die bestemd is voor heel het volk.”

Lucas 2,10 – kerstnacht

De bijbelse kerstverhalen, zijn ze nog wel van deze tijd? Soms hoor je deze bedenking klinken. En ik moet toegeven dat het ook voor mij niet elk jaar even gemakkelijk is om de geboorte van het Kerstekind te beleven in mijn hart en in alles wat ik van daar uit doe. Maar dit jaar komt alles plots onverwacht dichtbij.


De dokter die het slechte nieuws van enkele weken geleden bracht, leek plots wel een engel toen ze bij de arm nam en zichtbaar blij eruit bracht: “Ik heb goed nieuws!” Tot dan toe had ik mij een herder gevoeld in het open veld, waar zekerheid en bescherming heel voelbaar afwezig leken. Angstvallig gedreven om tenminste mijn eigen kleine kudde te bewaken en ervoor te zorgen dat Mara-Lea alvast niets naars zou overkomen, hield ik mijn wereld heel klein. Met de boodschap van de engel was er zelfs zoveel licht in één keer dat het maar moeilijk te vatten of zelfs geloven was.


Maar ik heb de vreugdevolle boodschap gehoord, net zozeer als de melding dat deze vreugde voor ‘het hele volk’ bestemd is. Verderop in het verhaal zullen de herders het Kerstekind vinden waar de engel hen over vertelde. En het bijzondere is dat de herders op dat moment meer dan Jezus’ eigen moeder weten hoe speciaal dit kind is. ‘Jullie redder’, zo wordt hij genoemd.


Ik weet dat lang niet ‘heel het volk’ op dit moment iets vreugdevol beleeft. Voor veel mensen zal het zelfs precies het tegenovergestelde zijn. Die gedachte geeft me veel schroom om over mijn eigen vreugde te schrijven. En toch waag ik het er bij deze op en vertel ik het als een kleine herder aan jou. Niet met de boodschap dat uiteindelijk alles goed komt of om te koop te lopen met dit geluk. Wél met de bemoediging om de hoop in het eigen leven nooit op te geven. Af en toe valt er uit de hemel een onverwacht geschenk. Zalig Kerstmis.

Een vraag

“Vraag de Heer, uw God, om een teken,
hetzij hoog aan de hemel of diep in de hel.”

Jesaja 7,11 – Vierde zondag van de advent

Ergens in mij leeft de overtuiging dat ik God vooral dankbaar moet zijn. Niet te veel moet vragen. Alsof God nog iets extra’s voor me zou moeten doen, terwijl ik – terwijl wij – al zoveel gekregen hebben.

Misschien lijk ik dan wel op Achaz uit de eerste lezing van komende zondag. De profeet Jesaja maant hem aan om God om een teken van nabijheid te vragen in een voor hem moeilijke tijd. Maar Achaz wil God niet op de proef stellen, zo laat de tekst zich verder lezen. Is Achaz bang dat zijn vraag niet beantwoord zal worden?

Iemand om hulp durven vragen, is soms heel moeilijk. Ik herken het ten aanzien van medemensen en ook ten aanzien van God. Het vraagt om veel vertrouwen in de ander/Ander. Dat deze dichterbij zou komen, je vraag niet negeert, je niet alleen zou laten.

Mensen stellen mekaar daar soms in teleur. Maar met God is het anders, zo belooft Jesaja. Zowel in onze hemel als in onze hel mogen we erop hopen dat Hij komt. Misschien mag ik Hem dat af en toe ook wat uitdrukkelijker vragen.

Gedragen

“Maak slappe handen sterk,
geef kracht aan knikkende knieën.”

Jesaja 35,3

Misschien merkte je het op. Misschien ook helemaal niet. Maar vorige week was er geen Woordkracht. Er kwam slecht nieuws binnen. En waar mijn hoofd wel probeerde om gewoon verder te doen, lieten delen van mijn lichaam het afweten. Mijn handen voelden te slap aan om iets te typen of om een tweede adventskaars aan te steken. Mijn knieën te knikkend om de rust van het vertrouwen te vinden.

Jesaja spreekt grote woorden van hoop tot de mensen van zijn tijd: God zal komen redden. Durfden zij erin te geloven? Hebben ze het ook zo mogen ervaren? Of bleef het bij een belofte?

Binnen enkele weken ligt er een Kind in de kribbe dat Gods redding van de wereld niet alleen belooft, maar ook belichaamt. Geen sterk lichaam van een superheld, maar een kwetsbare pasgeborene die alleen maar kan neerliggen op iets wat hem draagt. Iemand die van begin af aan deelt in onze eigen slappe handen en knikkende knieën. Maar doorheen zijn leven ook op verschillende manieren zal mogen voelen dat God hem draagt.

Om diezelfde draagkracht wil ik bidden. Voor ons. Voor mij. Voor jou. Voor jullie.

Zaklamp

“Nakomelingen van Jakob, kom mee, laten we leven in het licht van de HEER”.

Jesaja 2,5 – 1ste zondag van de advent

“Mama, ik vind het niet leuk dat er zoveel kriebeldieren aan mijn voetjes zijn; ik ben bang.” Het is 4.00 uur in de nacht. Mijn handen zoeken naar een zaklamp, ergens naast het bed. Ik schijn over de plek waar ze lag te slapen. Geen kriebeldieren te zien. Wel een paar knuffels die kunnen kietelen.

Gelukkig kunnen we soms licht aansteken om angsten te verdrijven die het donker ons inboezemt. Soms wordt dan duidelijk dat er helemaal niets is om bang voor te zijn. Op andere momenten zal ook het licht niet kunnen helpen om weg te doen wat ons bang maakt. Misschien komt het belicht zelfs nog scherper in het vizier.

Jesaja spreekt over een bijzonder licht. Een licht dat we zelf niet kunnen aansteken. We hoeven dat ook niet te doen. Want het is er altijd volgens hem. Het gaat immers uit van God. De mensen in Jesaja’s tijd voelden zich nochtans in het donker leven. Maar volgens Jesaja is het ondanks die donkere realiteit mogelijk om te kiezen voor het licht. Wanneer velen dat doen, zal dat licht voor iedereen ook beter zichtbaar zijn door het donker heen en wordt het misschien zelfs ooit minder donker.

Woordkracht bestaat rond deze tijd precies één jaar. Hier elke week mogen thuiskomen en delen, is voor mij ook een beetje als een licht in het donker of een zaklamp in de nacht. Dank aan jou, om dat licht mee te laten schijnen.

Samenredzaamheid

“Als Gij de koning der Joden zijt, red dan uzelf.”

Lucas 23,37 – Christus, Koning van het Heelal

Al van jongs af worden kinderen getraind in het vermogen om zichzelf te redden. In het instapklasje mocht Mara-Lea oefenen op het zelf aandoen van kousjes door haarstrikjes over de voet heen tot rondom de enkels te krijgen. En op zijn 90 jaar probeert mijn opa nog zoveel als mogelijk zelfredzaam te zijn. Het is iets wat ingebakken zit in ons. We zijn er fier op. En daar is niks mis mee. Zolang we ons maar niet schuldig gaan voelen wanneer we tijdelijk of voorgoed minder zelfredzaam zijn. En dat is heel vaak het geval.

Voor Jezus heeft zelfredzaamheid niet het laatste woord. De bijzonder krachtige passage in het Lucasevangelie over Jezus’ laatste woorden aan het kruis toont dat aan. Soldaten dagen Jezus uit om zichzelf te redden en zo zijn macht aan te tonen. Maar Jezus is niet naar de wereld gekomen om zichzelf te redden; wel om anderen te redden. Een van de twee misdadigers die naast Jezus aan het kruis hangen, heeft dat begrepen. Hij is in eerste instantie niet bekommerd om zijn eigen redding. Het eerste wat hij zegt, gaat over Jezus en diens onschuld. Jezus zelf doet geen poging om zijn onschuld aan te tonen; Hij laat zijn onschuld als het ware redden door de misdadiger naast Hem. Ik lees het als een soort van voorafbeelding van de verrijzenis, waarin Jezus zich eveneens door een ander – en ditmaal met hoofdletter – laat redden.

Zelf ervaar ik ook meer ‘gemak’ als ik anderen een stukje vooruit kan helpen, dan wanneer ik zelf ‘gered moet worden’. Maar eigenlijk is het een gevoel dat ingaat tegen de natuurlijke werking van al wat bestaat, waarbij alles en iedereen de ander nodig heeft. Als Koning van het Heelal wil Jezus ons daar misschien opnieuw bewust van maken. Het woord ‘samenredzaamheid’ past in die zin wellicht ook beter bij al onze pogingen om een goed evenwicht te vinden tussen zelfbeschikking en verbondenheid.

Met vleugels

“Met haar vleugels brengt de zon van de gerechtigheid genezing.”

Maleachi 3,20 – 33ste zondag door het jaar

‘Geboren met vleugels’, zo heet een van de laatste nieuwe liedjes van K3. Mara-Lea wil ook graag zo’n vleugeltjes, zei ze. “Écht vliegen kunnen mensen niet, he mama. Maar we kunnen wel doen alsof!”

Ook de schrijver van het bijbelse boek Maleachi zag geen échte gevleugelde zon voor zich. Het is een beeld van hoop: net zoals de opkomende zon de duisternis van de nacht verdrijft, zal de nabijheid van God alle vormen van kwaad doen wegebben en genezing brengen waar onrecht heeft gekwetst, zo gelooft de auteur.

De passage doet me stilstaan bij alle goddelijke vleugels in mijn eigen leven. De vleugels waar ik onder mag schuilen. De veerkracht op mijn eigen rug. De vleugels die ik – bijna écht – krijg wanneer ik het gevoel heb betekenisvol te mogen zijn.

En als die vleugels soms toch te onzichtbaar worden, is er hier iemand die mij leert om ook die tijd uit te houden. Om elke ochtend opnieuw te proberen alsof de vleugels er écht zijn en vanuit die droom te leven.

Gevallen

“Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven.”

Lucas 20,38 – 32ste zondag door het jaar

Turend uit het raam van mijn bureau zie ik een bruin blaadje naar beneden dwarrelen. Het valt neer op een zachte bodem die voorgangers al goudbruin kleurden. Ik zie aan de boom nog meer bladeren die als het ware aan het wachten zijn om bij de volgende windvlaag los te laten. Maar anderen zijn nog fris groen en getuigen zichtbaar van de levenskracht van de boom.

De herfst is bij uitstek het seizoen dat de thematiek van het ‘loslaten’ symboliseert. Maar net middenin deze tijdsperiode spreekt de christelijke traditie ons over een ‘vasthouden’. Over hoe God ons blijft vasthouden, zelfs door de dood heen. De uitgelichte Evangeliezin vertelt mij iets over wat dat vasthouden van God met mensen kan doen. In verbondenheid met Hem is er altijd leven mogelijk. Ik kan me er niets bij voorstellen hoe dit concreet zou worden na dit leven. Ook Jezus laat zich in het Evangelie niet verleiden om er concrete uitspraken over te doen. Maar hier en nu kan ik soms wel iets voelen van de nieuwe levenskracht die ik te midden van moeilijke situaties mag vinden. Omdat Hij mij vasthoudt.

Al dat (bijna) vallen voor mijn raam doet me intussen denken aan een van mijn lievelingsgedichten. In Herbst schrijft Rilke:

Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.
Und sieh dir andre an: es ist in allen.

Und doch ist Einer welcher dieses Fallen
unendlich sanft in seinen Händen hält.

We vallen allemaal. Die hand daar valt. En kijk naar de andere: het is overal.

En toch is er één Iemand die al dat vallen oneindig zacht in zijn handen vouwt.